"Pour qu'un peuple naissant pût goûter les saines maximes de la politique et suivre les règles fondamentales de la raison d'État, il faudrait que l'effet pût devenir la cause, que l'esprit social, qui doit être l'ouvrage de l'institution, présidât à l'institution même; et que les hommes fussent avant les loix ce qu'ils doivent devenir par elles." (p. 230-231)
Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social (éd. Constant Bourquin), Genève: Les Éditions du Cheval Ailé.
Op verschillende manieren formuleert Rousseau de paradox van de goede constitutie. Een goed gevormd volk, dat het gevolg is van een goede constitutie, zou tot oorzaak van een goede constitutie moeten worden. Anders gezegd: het maatschappelijk ethos, dat het gevolg van een goede constitutie moet zijn, zou aan die constitutie zelf vooraf moeten gaan. Nog anders gezegd: goed gevormde burgers moeten vooraf gaan aan de goede wetten, die hen zouden moeten transformeren tot goede burgers. Dit is een groot raadsel. Rousseau lost dat op door zich een ideale wetgever voor te stellen. Om een goede constitutie te ontwerpen, is een alles overtreffend intellect nodig, dat alle menselijke hartstochten doorziet, maar er zelf geen enkele ondergaat. De ideale wetgever staat voor een buitengewone opdracht. Zijn taak is niet om de staat te regeren door middel van rechtvaardige wetten, maar om de staat op te richten en de fundamentele wetten te maken. De oprichting van de staat maakt zelf geen deel uit van de constitutie. Rousseau benadrukt dat de rechtvaardige wetgever, die het gezag heeft over de fundamentele wetten, niet dezelfde persoon kan zijn als de soeverein, die het gezag heeft over de mensen. Want anders zou de wetgever niet vrij zijn van hartstochten bij het maken van de wetten en zouden er allerlei onrechtvaardigheden in kunnen sluipen, doordat hij zich laat misleiden door zijn particuliere belangen, in plaats van het algemeen belang te volgen. De wetgever staat voor een taak, die de menselijke kracht te boven gaat. Om deze taak uit te voeren ontbreekt het hem bovendien aan het nodige gezag. In tegenstelling tot de soeverein, die zijn bevoegdheid om de wetten uit te voeren aan de constitutie ontleent, kan de ideale wetgever geen dwang gebruiken om het volk tot gehoorzaamheid te bewegen. Door wijze woorden alleen laten de mensen zich meestal niet zo gemakkelijk overtuigen. Daarom moet hij het voorbeeld volgen van de grote profeten, zoals Mozes en Mohammed. De wetgever moet zijn woorden in de mond van God leggen. Door deze list zullen de mensen geloven dat zijn wijsheid de enige waarheid is en zullen ze zich onderwerpen aan zijn wetten. In navolging van Machiavelli maakt Rousseau religie tot het werktuig van politiek.
Jean-Jacques Rousseau, Du Contrat Social (éd. Constant Bourquin), Genève: Les Éditions du Cheval Ailé.
Op verschillende manieren formuleert Rousseau de paradox van de goede constitutie. Een goed gevormd volk, dat het gevolg is van een goede constitutie, zou tot oorzaak van een goede constitutie moeten worden. Anders gezegd: het maatschappelijk ethos, dat het gevolg van een goede constitutie moet zijn, zou aan die constitutie zelf vooraf moeten gaan. Nog anders gezegd: goed gevormde burgers moeten vooraf gaan aan de goede wetten, die hen zouden moeten transformeren tot goede burgers. Dit is een groot raadsel. Rousseau lost dat op door zich een ideale wetgever voor te stellen. Om een goede constitutie te ontwerpen, is een alles overtreffend intellect nodig, dat alle menselijke hartstochten doorziet, maar er zelf geen enkele ondergaat. De ideale wetgever staat voor een buitengewone opdracht. Zijn taak is niet om de staat te regeren door middel van rechtvaardige wetten, maar om de staat op te richten en de fundamentele wetten te maken. De oprichting van de staat maakt zelf geen deel uit van de constitutie. Rousseau benadrukt dat de rechtvaardige wetgever, die het gezag heeft over de fundamentele wetten, niet dezelfde persoon kan zijn als de soeverein, die het gezag heeft over de mensen. Want anders zou de wetgever niet vrij zijn van hartstochten bij het maken van de wetten en zouden er allerlei onrechtvaardigheden in kunnen sluipen, doordat hij zich laat misleiden door zijn particuliere belangen, in plaats van het algemeen belang te volgen. De wetgever staat voor een taak, die de menselijke kracht te boven gaat. Om deze taak uit te voeren ontbreekt het hem bovendien aan het nodige gezag. In tegenstelling tot de soeverein, die zijn bevoegdheid om de wetten uit te voeren aan de constitutie ontleent, kan de ideale wetgever geen dwang gebruiken om het volk tot gehoorzaamheid te bewegen. Door wijze woorden alleen laten de mensen zich meestal niet zo gemakkelijk overtuigen. Daarom moet hij het voorbeeld volgen van de grote profeten, zoals Mozes en Mohammed. De wetgever moet zijn woorden in de mond van God leggen. Door deze list zullen de mensen geloven dat zijn wijsheid de enige waarheid is en zullen ze zich onderwerpen aan zijn wetten. In navolging van Machiavelli maakt Rousseau religie tot het werktuig van politiek.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.