Bij Hegel komt de redelijkheid tot uitdrukking in de maatschappelijke instituties van de zedelijkheid. De zedelijkheid is het derde moment in de verwerkelijking van de vrijheid (§ 185-186). Het eerste moment is het abstracte recht; het tweede de moraliteit. In het abstracte recht is de vrijheid eenzijdig en gebaseerd op willekeur. Dat wordt zichtbaar in het onrecht. Ook in de moraliteit blijft de vrijheid afhankelijk van de subjectieve wil, die in het kwaad tevoorschijn komt. In de zedelijkheid wordt de vrijheid tenslotte belichaamd in de maatschappelijke instituties van de zedelijkheid: de familie, de burgerlijke samenleving en de staat. De zedelijkheid is de idee van de vrijheid als het goede; het goede is een levende werkelijkheid (§ 142-147). Het is een substantie die leeft in en door het zelfbewustzijn van de individuen. Zedelijkheid is de bemiddeling tussen het individu en de gemeenschap, dat wil zeggen: tussen algemeen en bijzonder. Het is de eenheid tussen de subjectieve wil en de objectieve orde. Deze eenheid tussen subjectief en objectief bestaat zowel op objectief als op subjectief niveau. Op objectief niveau bestaat deze eenheid in maatschappelijke instituties, wetten, normen en waarden. Op subjectief niveau wordt zij gedragen door het zelfbewustzijn van individuen. Dit zelfbewustzijn van individuen moet echter eerst nog worden gevormd. In eerste instantie ervaart het subject de zedelijke machten nog als vreemd aan zichzelf. In die fase verschijnt de zedelijke orde als iets dat hem bindt, als een plicht (§ 148-149). Wanneer het subject zich dan verder ontwikkelt zal hij eenzelfde redelijkheid in zichzelf ontdekken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.