vrijdag 5 april 2013

De mens is de mens een wolf

"Where there is no common Power, there is no Law: where no Law, no Injustice. Force, and Fraud, are in warre the two Cardinall vertues. Justice, and Injustice are none of the Faculties neither of the Body, nor Mind. If they were, they might be in a man that were alone in the world, as well as his Senses, and Passions. They are Qualities, that relate to men in Society, not in Solitude." (p. 90)


Thomas Hobbes, Leviathan (edited by Richard Tuck), Cambridge: Cambridge University Press, 1996. 


Volgens Hobbes is de natuurtoestand van een samenleving een oorlog van allen tegen allen. In die toestand is er een voortdurende angst voor een gewelddadige dood en is het menselijk bestaan eenzaam, armoedig, afstotelijk, beestachtig en kort. Daarvoor zijn twee oorzaken aan te wijzen. De eerste oorzaak is dat mensen bij benadering gelijk zijn; de tweede dat natuurlijke hulpbronnen schaars zijn. Daardoor kunnen mensen met grofweg gelijke mogelijkheden elkaars vijanden worden wanneer zij beide goederen begeren, waarvan er slechts weinig zijn. Zo veroorzaakt de aanvankelijke gelijkheid strijd tussen de mensen in de natuurtoestand. Dit is een strijd om het veroveren van schaarse goederen: rijkdom, macht en roem. Daartoe worden de mensen gedreven door hun begeerten en hartstochten. Zo leidt afgunst bij mensen tot wedijver; wantrouwen tot machtsstrijd; trots tot wraak. Deze oorlog van allen tegen allen bestaat niet alleen uit geweld, maar ook uit de dreiging daarmee. Een persoon kan immers anticiperen op aanvallen tegen zichzelf door potentiĆ«le agressors af te schrikken. Dat doet hij of zij door zich met geweld of list meester te maken van zoveel mogelijk andere mensen. Maar deze persoon bezit geen autoriteit, omdat deze andere mensen hun macht niet vrijwillig aan hem hebben overgedragen.

In de natuurtoestand hebben mensen nog geen overeenstemming bereikt over wie er bevoegd is om wetten te maken. Zolang de mensen nog geen persoon geautoriseerd hebben om wetten te maken, kunnen er geen geldige wetten bestaan. Dus waar geen centrale autoriteit is, is er geen wet. Daar is ook geen recht of onrecht; rechtvaardigheid of onrechtvaardigheid; goed of kwaad. In de oorlog van allen tegen allen kan een persoon alleen heersen door middel van geweld en list. Daarom zijn kracht en bedrog de kardinale deugden in de oorlog. Dit gaat geheel in tegen de traditie van de deugdethiek, die aanvangt bij Plato. Volgens Plato waren de kardinale deugden namelijk verstandigheid, moed en gematigdheid. Een persoon die deze deugden bezat was ook een rechtvaardig mens.

De politieke filosofie van Hobbes vormt dus een breuk met de traditie. Deze breuk wordt ook zichtbaar in zijn stelling dat rechtvaardigheid en onrechtvaardheid geen eigenschappen zijn van lichaam of geest. Deze stelling impliceert namelijk een ontkenning van Aristoteles' stelling dat geluk een activiteit is van de ziel overeenkomstig haar voortreffelijkheid. Vervolgens keert Hobbes Aristoteles' stelling dat de mens een sociaal dier is om in de stelling dat de mens een asociaal dier is. Niet alleen keert hij zijn stelling om, maar ook het bewijs daarvoor. Want Aristoteles' bewijs voor zijn stelling dat de mens een sociaal dier is, was dat de mens zijn deugden alleen kan ontwikkelen binnen de gemeenschap. Maar om te bewijzen dat de mens een asociaal dier is voert Hobbes aan dat er in een mens die alleen op de wereld was geen rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid zouden zijn. In deze mens zouden slechts zintuigen en hartstochten zijn. Deze mens zou behoefte hebben aan water, voedsel, kleding en onderdak. Maar als hij de enige op de wereld was, dan zou er ook geen schaarste zijn. Dan zou er ook geen strijd zijn, of afgunst wantrouwen en trots. Er zou dan ook geen oorlog meer zijn, omdat er geen ongelijkheid was. Want voor ongelijkheid en gelijkheid zijn tenminste twee mensen nodig.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.