woensdag 24 april 2013

De onttovering van de wereld

"In de vijftiende en zestiende eeuw vond [...] de wetenschappelijke revolutie plaats. Men speculeerde niet meer over de verborgen zin achter de verschijnselen zoals in de christelijke metafysica van de Middeleeuwen. Voortaan probeerden beoefenaars van de natuurwetenschap de causale relaties tussen die verschijnselen vast te stellen door theorievorming gebaseerd op experimenteel kwantitatief onderzoek, onafhankelijk van religieuze en morele dogma's. Deze objectiverende 'onttovering van de wereld' werd ook bevorderd door het moderne streven naar macht en winst, dat berekeningen op lange termijn op basis van realistische kennis van de wereld vereiste. Ofwel: kennis is macht." (p. 9)


C.W. Maris, "Algemene Inleiding", in: F.L.C.M. Jacobs & C.W. Maris (red.), Rechtsvinding en de Grondslagen van het Recht, Assen: Koninklijke van Gorcum 2003, p. 1-37.


Het ideaal van het autonome individu, dat ten grondslag ligt aan het liberalisme van Locke, vindt zijn oorsprong in het moderne West-Europa vanaf de zestiende eeuw. In het premoderne Europa - en in de niet westerse culturen - beschouwde men zichzelf niet als onafhankelijk individu, maar als onderdeel van de sociale en natuurlijke omgeving. De maatschappelijke en natuurlijke processen werden gezien als een kringloop, zoals de seizoenen. Ieder mens had een vaste plaats in deze maatschappelijke en kosmische orde, die verklaard en gerechtvaardigd werd door mythen. In de christelijke koninkrijken ontleenden de mensen hun plaats in de hiërarchische orde aan hun geboorte in een maatschappelijke klasse. De koning ontleende zijn gezag aan God, die bovenaan de piramide stond.

In het moderne Europa gaat de mens zichzelf nu beschouwen als onafhankelijk individu tegenover de omringende wereld. Vervolgens streeft hij ernaar om de wereld naar zijn hand te zetten door gebruik te maken van realistische kennis - het ei van Columbus. De mens gelooft in de maakbaarheid van de wereld. Hij gelooft in de idee van vooruitgang. Deze verschuiving van de objectieve wereld naar het individu werd veroorzaakt door de Reformatie en de Wetenschappelijke revolutie. In 1517 spijkerde Luther zijn protest-stellingen op de slotkapel van Wittenberg. Het protestantisme benadrukte de persoonlijke verantwoordelijkheid van het individu tegenover God. Dit geloof verspreidde zich snel en splitste zich verder op. Zo ontstond een veelheid van rivaliserende geloofsopvattingen. Eerst probeerden deze verschillende geloofsrichtingen elkaar uit te roeien in rampzalige godsdienstoorlogen. Maar toen dat niet lukte werden er compromissen gesloten die religieuze tolerantie bevorderen. Tegelijk met deze revolutie in het geloof, vond een revolutie in de wetenschap plaats. In 1453 verscheen Copernicus' De revolutionibus orbium coelestium, waarin hij concludeerde dat de zon het middelpunt is van het planetenstelsel en niet de aarde, zoals men toen nog dacht. In datzelfde jaar verscheen ook Vesalius' De humani corporis fabrica, waarin hij zijn ontdekkingen op het gebied van de anatomie presenteerde. Later werd de wetenschappelijke methode ontwikkeld door onder andere Francis Bacon en René Descartes. Van Bacon is de uitspraak afkomstig: Scientia potentia est (kennis is macht). Hij wordt beschouwd als de grondlegger van het empirisme, dat causale relaties tussen verschijnselen probeert vast te stellen door het uitvoeren van experimenten. In Discours de la méthode (1637) formuleert Descartes zijn beroemde stelling: Je pens, donc je suis. Oftewel: Cogito ergo sum. Het subject vormt de wereld vanuit het niets. Het Cogito van Descartes heeft zijn equivalent in het subject dat vanuit het niets de politieke wereld vormt. Hierdoor wordt de wereld beroofd van al zijn tover, glans en betekenis. Het enige dat nog over is, is de res cogitans. 

Zo leidden de Reformatie en de Wetenschappelijke revolutie tot het ideaal van het autonome individu, dat geëmancipeerd is uit bijgelovige angsten, omdat het zelf zijn leven kan bepalen op grond van realistische kennis. Het autonome individu is bevrijd van de duistere dogmatiek van de Middeleeuwen, zoals de stelling dat de koning zijn gezag aan God ontleent. Dit emancipatie-ideaal werd verdedigd door de filosofen van de zeventiende- en achttiende-eeuwse Verlichting, die kritisch tegenover de ongelijkheid en onvrijheid van de monarchistische standenstaten stonden. Locke verzette zich tegen de stelling dat de koning een even absoluut gezag heeft over zijn onderdanen als een vader over zijn kinderen. Hij was tegen het paternalisme van de overheid, dat de burgers voorschrijft wat ze moeten geloven. In plaats daarvan pleitte hij voor religieuze tolerantie. Hij was vóór een scheiding van de openbare sfeer en de privé-sfeer. Volgens Locke moest de overheid zich beperken tot het regelen van de uitwendige maatschappelijke orde en mocht zij zich niet mengen in de innerlijke aangelegenheden van de menselijke ziel.

File:Rembrandt Harmensz. van Rijn 007.jpg
Rembrandt van Rijn, De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp, 1632, Mauritshuis, Den Haag

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.