"Though the earth, and all the inferior creatures, be common to all men, yet every man has a property in his own person: this nobody has a right to but himself." (p. 19)
John Locke, Second Treatise of Government (ed. C.B. Macpherson), Indianapolis: Hackett Publishing Company, Inc. 1980.
Volgens Locke is iedereen master of himself (Second Treatise, § 44). Daarmee bedoelt hij dat iedereen van nature een eigendomsrecht heeft op zijn eigen persoon. Iemands persoon omvat zijn lichamelijke en geestelijke vermogens. Iemand die een eigendomsrecht heeft op een hulpbron, mag daar zelf over beschikken. Lichamelijke en geestelijke vermogens zijn interne hulpbronnen, waarover iemand in vrijheid kan beschikken om externe hulpbronnen te verwerven. Alle externe hulpbronnen (de aarde, alle dieren die daarop leven, de planten en de vruchten daarvan, enz.) behoren alle mensen gemeenschappelijk toe. Maar een mens kan de eigendom verwerven van een externe hulpbron door haar uit de overvloedige natuur te nemen en zijn lichamelijke en geestelijke krachten (arbeid) daarmee te vermengen. Omdat hij eigenaar is van zijn eigen arbeid en zijn arbeid met de hulpbron vermengd wordt, wordt hij ook eigenaar van de hulpbron. Ieder mens mag zich zoveel toe-eigenen als hij maar wil en daarover zelf beschikken zoals hij maar wil, op de dubbele voorwaarde dat er genoeg overblijft voor anderen en er niets bederft. In de natuurtoestand kan de mens niet meer bezitten dan hij nodig heeft, maar aan die toestand komt een einde door de uitvinding van het geld. De waarde van geld berust immers niet op natuurlijke behoefte, maar op conventie en anders dan voedsel kan geld niet bederven.
Volgens Locke is iedereen master of himself (Second Treatise, § 44). Daarmee bedoelt hij dat iedereen van nature een eigendomsrecht heeft op zijn eigen persoon. Iemands persoon omvat zijn lichamelijke en geestelijke vermogens. Iemand die een eigendomsrecht heeft op een hulpbron, mag daar zelf over beschikken. Lichamelijke en geestelijke vermogens zijn interne hulpbronnen, waarover iemand in vrijheid kan beschikken om externe hulpbronnen te verwerven. Alle externe hulpbronnen (de aarde, alle dieren die daarop leven, de planten en de vruchten daarvan, enz.) behoren alle mensen gemeenschappelijk toe. Maar een mens kan de eigendom verwerven van een externe hulpbron door haar uit de overvloedige natuur te nemen en zijn lichamelijke en geestelijke krachten (arbeid) daarmee te vermengen. Omdat hij eigenaar is van zijn eigen arbeid en zijn arbeid met de hulpbron vermengd wordt, wordt hij ook eigenaar van de hulpbron. Ieder mens mag zich zoveel toe-eigenen als hij maar wil en daarover zelf beschikken zoals hij maar wil, op de dubbele voorwaarde dat er genoeg overblijft voor anderen en er niets bederft. In de natuurtoestand kan de mens niet meer bezitten dan hij nodig heeft, maar aan die toestand komt een einde door de uitvinding van het geld. De waarde van geld berust immers niet op natuurlijke behoefte, maar op conventie en anders dan voedsel kan geld niet bederven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.