woensdag 24 april 2013

Eigendom

"[...] he who appropriates land to himself by his labour, does not lessen, but increase the common stock of mankind: for the provisions serving to the support of human life, produced by one acre of inclosed and cultivated land, are (to speak much within compass) ten times more than those which are yielded by an acre of land of an equal richness lying waste in common." (p. 23)


John Locke, Second Treatise of Government (ed. C.B. Macpherson), Indianapolis: Hackett Publishing Company, Inc. 1980.


In het begin, toen er nog maar een handjevol mensen op aarde was, was er een overvloed aan natuurlijke hulpbronnen. Omdat er geen schaarste was, waren er ook geen conflicten over eigendom. Iedereen kon zich net zoveel land toe-eigenen als hij maar kon bewerken en gebruiken, zonder dat dat ten koste ging van anderen. Iemand kon een stuk land, dat eerst nog gemeenschappelijk aan de gehele mensheid toebehoorde, omheinen en bewerken en op die manier zijn arbeid met de grond vermengen. Door dat te doen werd hij eigenaar van de grond. Want volgens het natuurrecht was hij al eigenaar van zijn eigen persoon en arbeid. Zo werd de hoeveelheid land die een man zich kon toe-eigenen begrensd door zijn arbeid en behoefte. Hij kon zich niet meer land toe-eigenen dan hij kon bewerken door middel van zijn arbeid en dan hij nodig had om te voorzien in zijn levensbehoeften. Zo bleven er altijd evenveel en even goede hulpbronnen over voor anderen. In deze toestand was er geen schaarste en waren er dus ook geen eigendomsconflicten. Aan die paradijselijke toestand kwam echter een einde met de uitvinding van het geld. Door het surplus van de opbrengst van het land te ruilen voor goud en zilver, kon men zich voortaan meer toe-eigenen dan men nodig had. Geld kon men immers eeuwig bewaren en bovendien had men er nooit genoeg van. Daardoor gingen de mensen zich steeds meer toe-eigenen en zo ontstond het probleem van de schaarste - de grond voor alle eigendomsconflicten. 

Locke wijst echter op de waarde die door arbeid aan natuurlijke hulpbronnen wordt toegevoegd. In verhouding tot deze arbeid, zijn de natuurlijke hulpbronnen bijna niets waard. Voor de productie van levensmiddelen, zoals brood, wijn en vlees, moet men eerst een stuk grond omheinen en bewerken voor landbouw en veeteelt. Deze levensmiddelen ontlenen het grootste deel van hun waarde dus aan menselijke arbeid en niet aan de natuur. Daarom is een stuk vruchtbare grond, omheind en bewerkt voor landbouw en veeteelt, veel meer waard dan een even groot stuk, even vruchtbare grond, dat nog steeds behoort tot de natuurlijke wildernis. Iemand die zich een stuk grond toe-eigent door het te omheinen en te cultiveren verhoogt daarmee de productiviteit van het land. Want één hectare gecultiveerde grond brengt tien tot honderd keer zoveel op als één hectare wildernis. Nee, zelfs duizend keer zoveel! 

Locke lost het probleem van de schaarste dus op door de verhoging van de productiviteit. Doordat de mensen steeds meer geld willen verdienen, worden zij geprikkeld om meer te produceren dan ze zelf nodig hebben. Geld is de motor van de productiviteitsverhoging. Door de productiviteit te verhogen met een factor tien, honderd, of duizend wordt het probleem van de schaarste opgelost. Maar daardoor ontstaat tegelijkertijd het probleem van de onbegrensde bezitsaccumulatie. Locke heeft het politieke absolutisme bezworen door het individu een natuurrecht te geven op de eigendom van zijn persoon en zijn arbeid. Daarmee wordt het probleem van het absolute niet opgelost, maar verschoven naar de economie. Het absolute hult zich niet langer meer in de mantel van de soeverein, maar in de rijkdom van de bezittende klasse.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.